Natuur: door Evert Ruiter

Otters in Zwolle


Onlangs maakte ik een wandeling in het Westerveldse bos. Een fraai loofbos dat ooit is aangelegd op de vuilstort van Zwolle. Het ligt pal aan het Zwarte water. Net ten noorden van dit bos ligt de Noorderkolk. Een grote kolk met een klein haventje waar een heuse vloot aan roeibootjes is afgemeerd. Wat is er nu leuker dan op een mooie lenteavond met je bootje de kolk op te roeien en daar ergens je hengeltje uit te werpen? Het is er stil en met een beetje mazzel ben je helemaal alleen met enkel rust en stilte om je heen. Menig visser zal zich niet realiseren dat er in dezelfde kolk nog meer vissers actief zijn. Geen mensen, maar dieren. Otters om precies te zijn. Sinds een aantal jaren komen er namelijk weer otters voor in de omgeving van Zwolle. Toch worden ze vrijwel nooit gezien. Ze maken hun aanwezigheid echter op een andere manier kenbaar. Op markante plaatsen langs de oever deponeren ze uitwerpselen. Die uitwerpselen worden ook wel ‘spraints’ genoemd. Op deze manier markeert een otter zijn of haar territorium, want zowel mannetjes als vrouwtjes doen dat. Tijdens mijn wandeling vond ik ook zo’n spraint. Hij lag op de stronk van een wilg die half omgevallen in het water lag. Die spraint heeft een typische geur: hij ruikt naar bedorven vis en als je hem beter bekijkt zie je dat die vol schubben en visgraten zit. Ervaren otterspeurders weten de plekken waar otters hun territorium afbakenen feilloos te vinden. Een van die onbezoldigde otterspeurders is Vincent Martens uit Dalfsen. Die struint al jarenlang langs de Vecht en het Zwarte Water op zoek naar ottersporen. Hij vindt niet alleen die spraints, maar ook pootafdrukken, eetplekken, glijbanen waarlangs ze vanaf de oever het water in glijden, enzovoorts. Spannend en leuk werk. Zeker wanneer je steeds op nieuwe plekken die sporen ontdekt en zo in kaart kunt brengen hoe de dieren zich verspreiden en hoe ze hun terrein gebruiken. Maar zien doe je ze eigenlijk nooit, want het zijn uitgesproken nachtdieren. Toch worden ze wel vastgelegd op de foto. Dat gebeurt met behulp van fotovallen. Dat zijn apparaatjes met een bewegingscensor die je op strategische plekken ophangt en waarmee je dieren die ‘s nachts actief zijn kunt vastleggen op foto of film. Op deze wijze is al eens aangetoond dat er langs de Vecht ook vrouwtjesotter met jongen rondliep. Het zijn dus niet alleen maar zwervende dieren, maar ze planten zich hier ook voort. En zo langzaamaan beperkt hun actieradius zich niet meer tot alleen de Vecht, Het Zwarte water en de kolken eromheen, maar verschijnen ze nu ook al langs de randen van de stad. Daar zijn sporen gevonden en films gemaakt van otters langs weteringen. Ze voelen zich hier dus prima thuis. En dat is hartstikke mooi, want zo blijkt dat de herintroductie van dit prachtige dier is geslaagd. Die herintroductie vond plaats in de Weerribben aan het begin van deze eeuw. De otter was uitgestorven in Nederland, maar is van oudsher zo verbonden aan ons land dat we het als een plicht zagen hem weer terug te krijgen. En dat is dus gelukt. Inmiddels komt hij weer in grote delen van Noordoost Nederland voor en ook al in de Nieuwkoopse plassen. Dat geeft aan hoe snel en over welke afstanden dit dier zich kan verspreiden. Helaas komen ze dan ook obstakels tegen. Bijvoorbeeld autowegen. En dat levert helaas jaarlijks nog vele tientallen verkeersslachtoffers op. Dankzij de aanleg van passages onder wegen en bruggen wordt het aantal slachtoffers wel enigszins teruggebracht. Dat die passages goed werken wordt eveneens aangetoond dankzij wildcamera’s. Helaas komen die successen nooit in de krant en wordt er alleen gemeld wanneer blijkt dat er eens eentje niet het gewenste resultaat oplevert. Dan kunnen wij weer eens klagen over weggegooide belastingcenten. Maar heus, het geld is goed besteed en de otter profiteert van de mogelijkheden die hem worden geboden om veilig een weg te kunnen passeren. En dankzij een handjevol vrijwilligers die er uren werk insteken om dit te onderzoeken wordt duidelijk wat de resultaten zijn.

Natuur in de winter. Wintergasten, Dwaalgasten en Gastvrijheid.


In de jaren 80 woonde ik een periode van 8 jaar aan de Thorbeckegracht. Daar huurde ik een studentenkamer in een prachtig monumentaal pand met een grote tuin. Hoewel ik beslist geen grote kattenliefhebber ben, had ik daar wel een kat. Om preciezer te zijn: een zwarte kater. Die hadden mijn vriendin en ik ooit in de herfst in Vilsteren gevonden als een klein vrolijk zwart huppelend bolletje. Navraag bij boerderijen in de omgeving leverde niets op. Dus het katertje ging mee naar huis. Hij bleek over een grote dosis wilde genen en een bovenmatig jachtinstinct te beschikken, want na verloop van tijd bracht hij van alles thuis. Variërend van de gebruikelijke muizen tot uiteindelijk ook eenden en meeuwen. Ik kan me het verbeelden, maar ik denk dat de kat iedere keer een beetje verbolgen was over het feit dat we zijn meegebrachte prooien niet opaten. ‘Doe ik daarvoor zo mijn best’, zag ik hem dan denken. Die meeuwen zaten ’s winters langs de gracht en waren redelijk tam omdat ze er werden gevoerd. Makkelijke prooien. Eén van de thuis bezorgde meeuwen, een kokmeeuw, had een ring om de poot. Een zogenaamde Stockholmring. Geringd in Zweden dus. Toentertijd moest je zo’n ring opsturen aan het vogeltrekstation in Arnhem. Na verloop van tijd kreeg je dan een bericht thuis met de gegevens. Waar die was gevangen en hoe die was geringd. Tegenwoordig gaat dat allemaal via internet en websites. Via die sites kun je een schat aan informatie vinden over het wel en wee van geringde vogels. Gaandeweg is er enorm veel informatie verzameld over de trekbewegingen van vogels. Maar wat doet zo’n Zweedse kokmeeuw in Zwolle? Uit ringonderzoek is vast komen te staan dat veel meeuwen uit Noordelijke en Oostelijke streken bij ons de winter doorbrengen. De meeuwen die nu op de reling van het kerkbrugje zitten en nauwelijks van fietsers en voetgangers schrikken of terugdeinzen komen voor een groot deel uit Polen, de Baltische Staten en Scandinavië. Ze hebben al decennialang onze steden ontdekt als plek waar je goed kunt overwinteren. Niet alleen Zwolle, maar ook Groningen, Deventer, Arnhem, en noem maar op, zijn favoriet. Ook is gebleken dat veel individuen jaarlijks op dezelfde plek terugkeren. Onze eigen meeuwen, want de kokmeeuw is ook een inlandse broedvogel, zakken in het najaar af naar de kuststreken of wat verder zuidelijk naar het Middellandse zeegebied. Zo rond eind februari –begin maart keren ze weer terug. En dan blijken ze in tegenstelling tot hun noordelijk soortgenoten al een beetje een zwarte kap (behorend bij het broedkleed) te hebben gekregen. Ons land fungeert in najaar en winter dus als een gastland voor vogels uit oostelijke en noordelijke streken. En dat betreft niet enkel meeuwen, maar ook kauwen, spreeuwen, reigers, roerdompen, houtsnippen, houtduiven en een keur aan kleinere zangvogels zoals koolmezen, pimpelmezen, vinken en roodborstjes. Dat schattige roodborstje dat nu dagelijks bij u in de tuin rond hipt is niet dezelfde die er in het voorjaar zingt of broedt. Het zou er wel eens eentje kunnen zijn uit Polen of Wit-Rusland. En ook de koolmezen bij u aan de vetbol komen uit die streken. Ook dat is vast komen te staan door middel van ringonderzoek. Maar als je goed kijkt en luistert kun je verschillen zien en horen. Koolmezen uit Oost-Europa zijn doorgaans wat steviger en hebben een blauwige glans op hun zwarte kapje. En roodborstjes die je nu hoort, zingen met –wat je zou kunnen noemen- een dialect. Het klinkt anders dan onze eigen roodborstjes. Overigens, dat zingen van die roodborstjes in de winter heeft te maken met hun voedselterritorium. Anders dan mezen, die zich gezellig gezamenlijk te goed doen aan de overvloed aan vetbollen en zonnebloempitten in uw tuin en in de tuin van de buren en de overburen, zijn roodborstjes solitair en houden ze er ook in de winter een territorium op na. En dat moeten ze wel afbakenen door af en toe te zingen. Er klinkt dan misschien wel een stoer Pools of Fins strijdlied. Onze mezen trekken richting Frankrijk en onze roodborstjes zitten s ’winters vooral in Engeland. Er zijn overigens ook stadsvogels zat die gewoon lekker thuis blijven en hier als het nodig is sneeuw en vorst trotseren. Bijvoorbeeld huismussen en Turkse tortels. Toch is verreweg het grootste deel aan Nederlandse broedvogels ’s winters vertrokken naar Afrika. Daar overwinteren ze op diverse plaatsen en blijken ze ook zeer plaatstrouw te zijn en steeds weer dezelfde trekroutes te volgen. Maar daarover een andere keer meer.
Behalve die Poolse koolmezen, Russische pimpelmezen en Finse roodborstjes op onze voederplanken is er in een wintertuin ogenschijnlijk weinig te beleven. Ogenschijnlijk, want schijn bedriegt. In de winter gaat ook ander leven gewoon door. Zij het wat meer verborgen. Wanneer wij slapen bezoeken huismuizen, bosmuizen of bruine ratten diezelfde voederplank en snuffelen er steenmarters rond in de tuin op zoek naar restjes vetbollen. Onder bladhopen, dichte heggen of struiken in tuinen en plantsoenen overwinteren egels. En in winters zoals deze, wanneer ’s nachts de temperatuur soms niet eens beneden de tien graden daalt, scharrelen ze misschien al wel eens slaapdronken rond. Helaas vinden ze dan weinig te eten. Over egels gesproken, behalve het verkeer is de bladblazer de grootste vijand van de egel. Onlangs nog ging er rond het gerechtsgebouw een hoveniersbedrijf onder veel lawaai tekeer met bladblazers en werden alle bladhopen tussen siergraspollen en dichte struiken weggeblazen. Een overwinterende egel die zo wordt verstoord heeft geen schijn van kans de winter te overleven. Laat je het blad liggen dan heb je in het voorjaar prima compost voor de planten en spaar je de egels. Scheelt een hoop kosten en dode egels. Wanneer je nu ’s nachts rondrijdt zie je in het licht van koplampen soms vlinders rondvliegen. Ook in de winter zijn er namelijk allerlei nachtvlinders actief. Sterker nog, die komen alleen maar in voor in de winter. Tsja, vlinders associëren we met zon en warmte, maar de natuur zit wonderlijker in elkaar dan menigeen denkt. En over wonderlijk gesproken: een van de vlindersoorten die nu actief is, is de wintervlinder. Daarvan heeft het vrouwtje niet eens vleugels. Een vlinder die niet kan vliegen? Het moet niet gekker worden. En toch is het zo. Wanneer ze uit de cocon is gekropen, kruipt ze langs de stam van een eik een eindje naar boven. Dan begint ze met het afscheiden van een geur die onweerstaanbaar is voor de mannetjes (die wel kunnen vliegen). Heeft een mannetje het vrouwtje gevonden, dan wordt er gepaard. Na de paring kruipt het vrouwtje onverstoorbaar verder omhoog naar de top van de boom en legt ze bij iedere boomknop een eitje. Zodra in het voorjaar de blaadjes gaan groeien, zijn de rupsjes uit het eitje gekomen en vinden daar heerlijke sappige blaadjes. In sommige jaren zijn er zoveel rupsjes dat de eiken helemaal kaal worden gevreten. Maar die rupsjes vormen op hun beurt weer voedsel voor onder andere roodborstjes. Prachtige vogeltjes. Ik heb net iets verteld over de jaarlijkse trekbewegingen. Een enkele keer raakt er wel eens eentje de weg kwijt. Die vliegt dan een totaal verkeerde kant op. Zo raakte er in het najaar van 2014 eentje verzeild in een park (met de prachtige naam Hemelse Tempel) in Beijing. Het was voor het eerst dat een roodborst werd gezien in China. Een sensatie! Alle Chinese vogelaars in rep en roer. Binnen de kortste keren kreeg het vogeltje bezoek van honderden vogelaars uitgerust met camera’s met enorme telelenzen. Liggend en hurkend in het park maakten ze allemaal een plaatje van deze waanzinnige zeldzaamheid. De oh’s en ah’s waren (uiteraard in het Chinees) niet van de lucht. En waar doet u dit aan denken… ? Precies, aan die prachtige roodkeelnachtegaal in Hoogwoud die al enkele weken lang honderden vogelaars op de been brengt. Niet alleen uit Nederland, maar ook uit Duitsland, Denemarken, Engeland, Zwitserland, België, Frankrijk. Die roodkeelnachtegaal is tijdens de trek helemaal de weg kwijtgeraakt en hier terecht gekomen. Hij broedt in Azië en overwintert in Zuid-oost Azië. Chinezen komen er niet voor in beweging ne zo min als Nederlandse vogelaars in beweging voor een roodborst. Zo gewoon, zo alledaags, maar zo ontzettend mooi. Niets ten nadele van die roodkeelnachtegaal, het is een prachtvogeltje, maar ik geniet van die ene roodborst in mijn winterse stadstuintje. Ook al zingt die in het Pools, Fins of Zweeds.

Knoflookpad


De noordkant van Zwolle grenst aan het Vechtdal.
Het Vechtdal werd gevormd tijdens de laatste ijstijd.

Lees verder

Honderd dagen


Sinds de kroning van Willem Alexander, of liever gezegd Willy, tot koning der Nederlanden vieren we Koningsdag op 27 april. Daarvoor vierden we Koninginnedag op 30 april.

Lees verder
© 2017 - RTV ZOo - Powered by: HPU internet services